Oversterfte bij 40-jarigen

Normsterfte mannen

Inleiding

Over de aanhoudende oversterfte is al veel geschreven. Critici van onze analyses verwijzen regelmatig naar andere bronnen die zouden aantonen dat de oversterfte inmiddels verdwenen is. Ook wordt soms gesuggereerd dat ons rekenmodel onbegrijpelijk of zelfs onjuist zou zijn. Daarom gebruiken we nu een eenvoudige methode, met als enige aanname dat onze rekenmachine (Excel) correcte berekeningen uitvoert. Ook met deze eenvoudige rekenwijze, zien we dat de oversterfte zich nu concentreert bij de jongere leeftijden en met name bij de 40-jarigen.

Versimpelde rekenwijze

In deze vereenvoudigde methode berekenen we de sterftekans per leeftijd: het aantal overlijdens op een bepaalde leeftijd gedeeld door het aantal inwoners van diezelfde leeftijd.

Voorbeelden:

  • 10 jaar → 0,01%
  • 40 jaar → 0,1%
  • 50 jaar → 0,25%
  • 80 jaar → 5%

Voor mannen liggen de percentages wat hoger, voor vrouwen iets lager. Deze berekening is gemaakt voor de jaren 2010 t/m 2024. Omdat de sterftekansen sterk verschillen per leeftijd, nemen we de sterftekansen van 2020 als uitgangspunt (100%), zodat we goed kunnen vergelijken hoe de werkelijke sterfte zich vanaf 2010 ontwikkelde.

In deze aanpak gebruiken we geen aannames of modellen. Alleen de rekenmachine doet het werk. Ter vergelijking tekenen we ook de resultaten uit ons rekenmodel Normsterfte in de grafieken. Dit model is eerder beschreven in het artikel ‘Van verwachtingen naar normsterfte’.

Sterftekans bij mannen

De grafiek voor mannen laat zes leeftijdsgroepen zien. De bolletjes tonen de gemeten sterftekansen, de lijnen de trends uit 2010–2019 volgens de Normsterfte berekeningen.

Oversterfte bij 40-jarigen, mannenTot 2020 volgen de cijfers de trend nauwkeurig: de sterftekans daalde met ongeveer 20%, behalve bij 90-jarigen. Daar lijkt de daling te stagneren: in 2019 was de kans om als 90-jarige man te overlijden nog steeds 18%, hetzelfde als in 2010. Dit lijkt dus een soort plafond in de levensverwachting: biologisch gezien kunnen we niet veel ouder dan 90 jaar worden.

Vanaf 2020 wijkt het beeld sterk af. Door corona steeg de sterftekans in 2020 tijdelijk met zo’n 20%.

– Mannen rond 60 jaar stierven nauwelijks vaker.

– Mannen rond 50 jaar daarentegen stierven 20% vaker dan verwacht.

Voor de jaren na 2020 kunnen we vergelijken met de sterfte van 2020 (de 100%-lijn) of met de verwachte trend volgens de Normsterfte. Wij kiezen voor de trendlijn, omdat deze beter de ontwikkeling sinds 2010 weergeeft.

Bij 90-jarigen zien we dat de sterfte in 2020 10% hoger lag, maar daarna weer snel normaliseerde. In 2024 was er nog slechts 2% oversterfte. Opvallend is echter dat in 2024 juist 40-jarigen de hoogste oversterfte vertoonden: 15%, terwijl corona toen vrijwel verdwenen was.

Sterftekans bij vrouwen

De grafiek voor vrouwen toont hetzelfde algemene patroon: dalende sterftekansen sinds 2010, behalve bij 90-jarigen.

Oversterfte bij 40-jarigen, vrouwenToch zijn de verschillen tussen leeftijdsgroepen bij vrouwen groter. Vooral vrouwen rond de 40 jaar vallen op. Hans Verwaart publiceerde hierover in februari 2025 het artikel ‘Sterfte bij vrouwen van 40–50 jaar nader bekeken‘. Daarin zag ook hij een verhoogde sterfte van circa 30%. In 2023 was dit nog 15%, maar het percentage is sindsdien verder gestegen.

Reactie van de overheid

Hans Verwaart heeft zijn bevindingen gedeeld met het parlement. PVV-Kamerlid Thiadens vroeg in het voorjaar van 2025 om nader onderzoek tijdens het oversterftedebat.

Staatssecretaris Karremans (VWS) antwoordde dat het RIVM verantwoordelijk is voor het signaleren van ongewone sterfte, maar dat er geen signaal was afgegeven. Hij zag daarom geen reden tot zorg en ontraadde een motie voor onderzoek.

Het is zorgwekkend dat de overheid aanhoudende oversterfte, vooral bij jongere leeftijdsgroepen, niet als probleem erkent. Het RIVM heeft bovendien aangegeven dat hun rapportagemethode ongeschikt is voor het signaleren van lange termijntrends en dus ook nooit in staat is geweest om signalen af te geven. De staatssecretaris heeft zich dus gerust laten stellen door het onvermogen van het RIVM om signalen af te geven.

Normsterfte

In april 2025 lanceerden we het concept Normsterfte – een objectieve methode om oversterfte nauwkeurig in beeld te brengen. Dit model is ontwikkeld na vragen van Kamerlid De Korte over de juistheid van de RIVM-rekenmodellen.

Het RIVM reageerde indirect op ons model en concludeerde onder meer:

– Hun eigen model is bedoeld voor korte periodes van oversterfte, niet voor langetermijnveranderingen.

– Voor het vaststellen van structurele oversterfte zijn andere indicatoren nodig, zoals die welke in ons Normsterfte-rapport beschreven staan.

Ondanks deze erkenning stelt het RIVM dat het CBS verantwoordelijk is voor het vaststellen van oversterfte, terwijl het CBS zich inmiddels baseert op dezelfde beperkte methoden.

Het CBS

Het CBS publiceert tweejaarlijkse prognoses over de verwachte sterfte voor de komende 50 jaar. In hun diverse bevolkingsprognoses beschrijven ze hun methodiek, die we volgt kunnen samenvatten:

De sterfteprognose is gebaseerd op de ontwikkeling van de sterftekansen naar leeftijd en geslacht zoals waargenomen in de periode 2000–2019, met een extrapolatie van de trend in de levensverwachting.

Dat is opvallend, want dat is ook het principe dat we zelf gebruiken in ons Normsterfte model. Dat zal natuurlijk nog wel kleine verschillen kunnen opleveren. Er is echter geen eenduidige beschrijving van de rekenprocedure, maar in de Kernprognose 2021-2070 lezen we wel dit:

Het CBS gebruikt voor de prognose van de sterftekansen een extrapolatiemodel: er wordt van uitgegaan dat de toekomstige trends een voortzetting zijn van de trends uit het verleden.

Dit is in principe dezelfde methode als onze Normsterfte, alleen met een iets langere referentieperiode (2000–2019 in plaats van 2010–2019). Opvallend is echter dat het CBS vanaf 2023 de RIVM-rekenwijze lijkt te volgen, die door het RIVM zelf als “ongeschikt voor lange termijnsignalen” wordt beschouwd. Daarmee ondermijnt het CBS de betrouwbaarheid van zijn eigen prognoses.

We zien deze nieuwe aanpak het eerste verschijnen in het rapport van 16 december 2021:

We zien voor de jaren 2022-2025 realistische cijfers, die passen bij het genoemde citaat en ook goed overeenkomen met onze eigen Normsterfte berekeningen. Maar voor 2021 is de prognose van het CBS gelijk aan de werkelijke sterfte in 2021. Dat betekent dus dat als het CBS deze cijfers gaat gebruiken voor het vaststellen van oversterfte, er pardoes geen oversterfte meer is. Die eerste jaarcijfers negeren we dus omdat het geen prognose is en gebruiken we alleen de toekomstige jaren.

In het rapport van 15 december 2023 zien we vervolgens deze cijfers:

Prognose 2023 2027Vanaf 2023 volgt het CBS kennelijk de rekenwijze van het RIVM ook voor de toekomstige jaren, want niet alleen 2023 wordt getoond als prognose voor het afgelopen jaar, maar ook de jaren erna lijken gebaseerd op de voorgaande jaren met oversterfte. Ook missen we in deze cijfers de vergrijzing, die inmiddels een jaarlijkse stijging van rond de 2500 oplevert en vanaf 2026 mogelijk zelfs boven de 3000 per jaar gaat uitkomen.

Prognoses vergeleken

De “prognose” van het CBS voor 2023 is dus opeens 12.000 hoger dan die twee jaar eerder werd gepubliceerd. Dat zijn dus niet meer de cijfers die horen bij de sterfte op basis van de sterftekansen t/m 2019. We gebruiken voor 2023-2025 derhalve de CBS-prognose uit 2021. Deze interessante tabel krijgen we dan:

Baseline tabelWe hebben voor 2022-2025 de CBS-prognose uit 2021 gebruikt. De sterfte in 2025 (geel) is een schatting gebaseerd op de opgebouwde sterfte tot nu toe.

De verschillen tussen de CBS-prognoses en onze Normsterfte zijn zo niet schokkend. Een verschil van 2000 valt nog wel binnen de onzekerheidsgrenzen, maar het CBS ziet in haar berekeningen dus wel meer oversterfte dan wij met onze Normsterfte. De RIVM-prognose komt goed overeen met de werkelijke sterfte en is daarmee geschikt voor het vaststellen van kortstondige afwijkingen.

Het is opmerkelijk dat ook het CBS per 2023 is overgestapt op de RIVM-rekenwijze, die door het RIVM zelf is gewaardeerd als “ongeschikt voor lange termijn signalen”. Het CBS heeft haar eigen cijfers hiermee gediskwalificeerd voor het vaststellen van oversterfte. Wel heeft het RIVM aangegeven dat een model zoals onze eigen Normsterfte noodzakelijk zou zijn. Maar het CBS schiet zo in haar eigen been.

Conclusie

Uit onze analyses blijkt dat de oversterfte zich steeds meer concentreert bij jongere leeftijdsgroepen, vooral bij 40-jarigen – bij vrouwen meer dan bij mannen. Terwijl de sterfte onder ouderen na de coronajaren normaliseert, blijft de sterfte bij deze jongere groepen zorgwekkend hoog.

De huidige overheidsinstanties – RIVM en CBS – gebruiken modellen die ongeschikt zijn om langetermijnveranderingen in sterfte vast te stellen. Hierdoor worden structurele patronen niet herkend of zelfs verhuld.

Een onafhankelijke en transparante methode zoals Normsterfte is essentieel om oversterfte betrouwbaar te meten en tijdig te signaleren wanneer de volksgezondheid verslechtert. De overheid zou deze bevindingen serieus moeten nemen en onafhankelijk onderzoek moeten laten uitvoeren naar de oorzaken van de aanhoudende oversterfte bij jongere leeftijdsgroepen.

 

Referenties CBS-Kerncijfers

2015: https://opendata.cbs.nl/ – /CBS/nl/dataset/83224NED/table
2017: https://opendata.cbs.nl/ – /CBS/nl/dataset/83783NED/table
2019: https://opendata.cbs.nl/ – /CBS/nl/dataset/84645NED/table
2021: https://opendata.cbs.nl/ – /CBS/nl/dataset/85089NED/table
2023: https://opendata.cbs.nl/ – /CBS/nl/dataset/85742NED/table

Oversterfte bij 40-jarigen