Een voortdurend terugkerende kritiek op mijn cijfers is de keuze voor de Baseline die wij Normsterfte hebben genoemd. De rekenwijze is beschreven in Van verwachtingen naar normsterfte. Een op het oog wellicht ingewikkelde rekenprocedure, maar echt ingewikkeld is het niet.
De basis wordt gevormd door CBS-cijfers. Voor elke leeftijd/geslacht combinatie zijn voor elk jaar zowel het aantal inwoners als het aantal overlijdens beschikbaar. Hieruit wordt vervolgens voor elke leeftijd een sterftekans berekend. Als laatste stap wordt ook weer voor elke leeftijd een lijn bepaald door de kansen van 2010-2019. Die lijn kunnen we doortrekken (extrapoleren) naar de jaren na 2019. Dat zijn dus 200 lijnen.
Vervolgens kun je met deze 200 lijnen van alles doen. Niet alleen voorspellen wat de te verwachten sterfte is, maar ook na vergelijking met de werkelijke sterfte de oversterfte berekenen. Maar we kunnen ook de levensverwachting berekenen. Zowel die op basis van de trend die we zagen tot 2020 als de werkelijk waargenomen levensverwachting. Zoals in deze grafiek.
We zien hier dat de levensverwachting voortdurend stijgt, we worden steeds ouder. Vrouwen leven gemiddeld 3 jaar langer dan mannen, maar dat verschil wordt steeds kleiner. En natuurlijk zien we in 2020 de levensverwachting opeens met bijna een jaar afnemen en in 2021 zelfs nog iets verder. Vanaf 2022 lijkt er een langzame terugkeer naar de trend van voor 2020, maar hoe snel dat gaat, moeten we gaan zien.
Waar is het einde?
Dat is een interessante vraag. Kunnen we over 100 jaar misschien 125 worden? Uitzonderingen zullen er altijd zijn, maar met behulp van de berekende Normsterfte zien we een plafond van rond de 95 jaar. We bekijken daartoe de gemiddelde sterftekansen per 10-jaars cohort. Dat doen we van 2000 tot 2024, het laatste jaar waarin we volledige cijfers hebben. We nemen ook voor de eenvoud mannen en vrouwen samen. Dat ziet er dan zo uit:
Voor elke leeftijdsgroep nemen we de sterfte in 2019 als aftelpunt en stellen die op 100%. Nu ontstaat een duidelijk beeld. Hoe jonger de groep, hoe meer afname van sterftekans is. Bij de leeftijdsgroep van 40-50 jaar neemt de kans 70% af in 20 jaar, terwijl die voor 90-100 jarigen nog maar 10% afgenomen is. De laatste 10 jaar is er zelfs geen enkele afname meer van sterftekans.
Wat betekent dit? Simpel gezegd: we worden gemiddeld gezien niet ouder dan ongeveer 95 jaar! Verbeterde gezondheid en gezondheidszorg betalen vooral uit bij de lagere leeftijden, maar voorbij de 90 jaar is er geen winst meer te behalen.
We zien ook dat elke lijn een beetje kromloopt. Die kromming zit verwerkt in het rekenmodel (een exponentiële fit). Voor 90-100 jaar is de lijn vrijwel recht, maar elke leeftijd heeft zijn eigen kromming.
En vanaf 2020?
Voor de meeste leeftijden is oversterfte te zien als een sprong in de sterftekans van rond de 8%. Alleen de leeftijden van 50-60 jaar bleven in 2020 volledig buiten schot. Pas in 2021 deed ook deze leeftijdsgroep mee. Vaccinatie lijkt ook hier een plausibele verklaring.
Voor 2024 lijkt alle sterfte weer rond de 100% te zitten, maar dat is dus een halve waarheid. Als we aannemen dat de trend in de daling van de sterftekansen zich voort had gezet, dan hadden we dus een verdere daling van 8-10% moeten zien. De 110% in 2015 zou dan nu 95% moeten zijn.
Er zijn geen aanwijzingen dat die trends zich opeens wijzigen, maar ook niet dat deze zich doorzet. Door aan te nemen dat deze zich voortzet (maar dan dus ook geen daling van sterftekans boven de 90 jaar) kunnen we in elk geval vaststellen hoe de sterfte zich ontwikkelde sinds 2019. Pas op de langere termijn kunnen we vaststellen of de Normsterfte zich aangepast heeft.
