Over de effectiviteit van de coronavaccins zijn zeer uiteenlopende percentages gepubliceerd. Daarbij gaat het meestal om bescherming tegen besmetting, ziekenhuisopname of overlijden aan COVID-19. In dit artikel stellen we een iets andere vraag:
Is de bescherming door vaccinatie ook terug te vinden in de totale sterfte?
Daarvoor gebruiken we de sterftecijfers naar vaccinatiestatus. De analyse richt zich dus niet op de geregistreerde doodsoorzaak, maar op all-cause mortality (ACM): overlijden ongeacht de oorzaak.
Dat heeft een belangrijk voordeel. De discussie of iemand aan of met COVID-19 is overleden, speelt dan geen rol. Daar staat een belangrijke beperking tegenover: uit een verschil in totale sterfte tussen gevaccineerden en ongevaccineerden kan niet zonder meer worden afgeleid waardoor dat verschil wordt veroorzaakt.
Het basisidee
Het basisidee is dat de vaccinatiegraad onder de bevolking is terug te vinden in de sterftecijfers. Uiteraard is die vaccinatiegraad verschillend voor verschillende leeftijdsgroepen en ook neemt de overlijdenskans toe met de leeftijd. Als vaccinatie geen invloed heeft op de extra sterfte tijdens een epidemische golf, en de samenstelling en onderliggende sterfterisico’s van beide groepen in die korte periode niet wezenlijk veranderen, verwachten we dat hun verhouding rond de baseline blijft.
Daarnaast heeft John Ioannidis cijfers gepubliceerd, waaruit blijkt dat de sterftekans aan COVID-19 gelijk oploopt met de sterftekans om aan een andere aandoening te overlijden. Lees ook bijvoorbeeld ons artikel Hoe dodelijk was corona.
Als vaccinatie wel een rol speelt bij de overlijdenskans (b.v. tijdens een epidemie), dan moeten we dat zien aan een verschuiving van het deel ongevaccineerde overlijdens. Immers, het vaccin beschermt tegen overlijden tijdens de epidemie, dus zal het percentage ongevaccineerden toenemen.
Om dat te kunnen berekenen, hebben we de cijfers nodig van het wekelijkse aandeel gevaccineerden onder de overlijdens. Alle studies die de rol van vaccins onderzoeken, baseren zich op de sterftecijfers van een geselecteerd deel van de bevolking. In dit artikel onderzoeken wij dit op basis van alle overlijdens in Nederland.
We gebruiken daartoe de sterftecijfers die het CBS heeft gepubliceerd op 23 februari 2024. In deze publicatie wordt in 4 tabellen de wekelijkse sterfte getoond, opgesplitst naar vaccinatiestatus en overlijdensoorzaak: COVID-19 en alle oorzaken. Het doel van de publicatie was het aantonen dat de 4 weken wachttijd voor het bepalen van de vaccinatiestatus een vergelijkbaar sterftebeeld geeft. Daarom bevatten deze cijfers ook de sterftecijfers zonder deze wachttijd. Precies wat nodig is om de berekeningen uit te kunnen voeren: voor elke week weten we nu welk aandeel van de overlijdens gevaccineerd was. De eerste analyse gebaseerd op deze cijfers is door ons gepubliceerd op 2 maart 2024: CBS heeft onwerkzaamheid vaccin zichtbaar gemaakt.
Deze cijfers hebben dus betrekking op de periode 2021-2022, 104 weken dus. Het zou mooi zijn als we ook de beschikking zouden hebben over de cijfers van het daaropvolgende jaar, maar die zijn niet openbaar. We weten dat die er wel zijn, want ze zijn gebruikt in het Eindverslag van Meester et al, maar de gebruikte cijfers mogen niet geopenbaard worden.
Eerst een goede baseline
Omdat we met name het gedrag tijdens een epidemie willen beschrijven, moeten we eerst een goede referentie hebben voor het aandeel ongevaccineerden. We onderzoeken eerst de sterfte tijdens de deltagolf. We interpoleren de cijfers van de maand voor de deltagolf en de maand erna. Daarmee kunnen we deze grafiek samenstellen:
We zien hier als een groene lijn het aandeel ongevaccineerde overlijdens langzaam afnemen, van 20% in oktober 2021 naar 15% in februari 2022. De blauwe stippellijn verbindt deze twee perioden. Hier is al te zien dat ten tijde van de deltagolf het percentage ongevaccineerde overlijdens toeneemt, een eerste aanwijzing dat vaccinatie inderdaad een bescherming gaf tijdens de deltagolf. In de volgende paragraaf gaan we, gebruik makende van deze CBS-cijfers, vaststellen hoeveel bescherming er is gerealiseerd. Merk op dat er nog steeds geen rol voor corona is!
De langzame daling van het aandeel ongevaccineerde overlijdens lijkt vooral toe te schrijven te zijn aan administratieve factoren als achterstand in CIMS en het HVE. De precieze verklaring is niet relevant, wel dat tijdens de Deltagolf ook een golf ontstaat in het percentage ongevaccineerden. Dat is de sleutel voor het berekenen van de effectiviteit van het vaccin. Die gaan we berekenen voor zowel de Deltagolf van 2021 als de Omicron golf in 2022.
De berekening
Stel dat een deel van de bevolking bij overlijden ongevaccineerd is. Als vaccinatie geen invloed heeft op de sterftekans en beide groepen verder vergelijkbaar zijn, zou nog steeds ongeveer hetzelfde percentage van alle sterfgevallen uit de ongevaccineerde groep moeten komen.
Tijdens een epidemische golf verandert dat wanneer vaccinatie beschermt tegen de extra sterfte die door die golf ontstaat. De extra sterfte zal dan relatief vaker bij ongevaccineerden terechtkomen.
We kennen drie grootheden:
- p: het aandeel ongevaccineerden;
- o: de oversterfte ten opzichte van de verwachte sterfte;
- P: het waargenomen aandeel ongevaccineerden onder alle overledenen.
Daaruit kan worden berekend welk aandeel q van de extra sterfte bij de ongevaccineerden terechtkomt:

Vervolgens kan daaruit een vaccineffectiviteit tegen deze extra sterfte worden afgeleid:

Dit is nadrukkelijk niet dezelfde grootheid als de gebruikelijke VE tegen COVID-19-sterfte. Het is een uit totale sterfte afgeleide maat: hoeveel van de extra sterfte lijkt, binnen dit model, samen te hangen met bescherming door vaccinatie
De Deltagolf van 2021
De Deltagolf vormt een interessante toets voor deze methode. COVID-19 speelde toen een belangrijke rol in de sterfte en uit onafhankelijk onderzoek weten we dat vaccinatie bescherming bood tegen overlijden aan COVID-19.
In deze grafiek zien we zowel de oversterfte als de sterfte aan COVID-19. Opvallend is dat er tot december meer sterfte was dan dat er sterfte aan COVID-19 werd gemeld. Pas in december krijgt COVID-19 de overhand. En ook hier zien we de ondersterfte in januari, terwijl er nog steeds mensen overlijden aan COVID-19.
Het RIVM claimde voor 2021 dat in de eerste twee maanden na afronding van de basisserie de kans op overlijden aan COVID-19 ruim 90% lager was bij gevaccineerden. In de meeste leeftijdgroepen zou deze bescherming daarna geleidelijk teruglopen tot ongeveer 80% na zeven maanden. Bij 90-plussers en mensen in langdurige zorg nam de bescherming sterker af (RIVM).
Onze analyse baseert zich op alle sterfte, ongeacht de doodsoorzaak. We hoeven ons dan ook niet meer af te vragen of er wel de juiste doodsoorzaak is gegeven. De cijfers voor sterfte aan COVID-19 bij RIVM en CBS liepen steeds verder uit elkaar. Eind 2022 was dat verschil al opgelopen tot een factor 5. Met behulp van de CBS-cijfers, maakten we deze grafiek, waar dus de doodsoorzaak geen rol speelt.
We zien hier dat gevaccineerden (rood) een lagere oversterfte hebben dan ongevaccineerden (groen). Rond de top van de Deltagolf bedraagt de totale oversterfte ongeveer 38%. Voor ongevaccineerden komt de reconstructie uit op ongeveer 53%, tegenover ongeveer 34% voor gevaccineerden. Gevaccineerden hebben dus een lagere relatieve sterfte, wat je ook mag verwachten van een werkend vaccin. Uit deze percentages kunnen we nu een VE voor overlijden ongeacht de doodsoorzaak (ACM) berekenen die varieert van 35% tot 45%.
Hierna gaan we berekenen hoeveel dat in absolute zin is.
Van relatieve bescherming naar werkelijke gezondheidswinst
Een bescherming van 35–45% tijdens de Deltagolf klinkt aanzienlijk, maar dit betreft een relatieve bescherming tijdens de sterftegolf. Voor de uiteindelijke gezondheidswinst is vooral van belang hoeveel levensjaren daarmee daadwerkelijk zijn gewonnen.
Na perioden van hoge sterfte treedt vaak mortality displacement of harvesting op: een deel van de oversterfte wordt gevolgd door ondersterfte. Na de eerste coronagolf was dit patroon duidelijk zichtbaar.
In mei 2020 was de oversterfte verdwenen en ging over in een ondersterfte van rond de 150 overlijdens per week. Het aantal overlijdens aan COVID-19 was echter nog rond de 300 per week.
Hetzelfde verschijnsel zien we bij de tweede golf. Op 1 maart 2021 was de oversterfte verdwenen, terwijl het CBS meer dan 500 overlijdens wegens COVID-19 meldt. De te verwachten ondersterfte veroorzaakt door de sterfte aan COVID-19 valt weg tegen de nog steeds heersende COVID-19 sterfte.
Opvallend is dat in het voorjaar van 2020 de sterfte aan COVID-19 nog steeds niet verdwenen was, terwijl de ondersterfte wel stabiel bleef. Bij de tweede golf was dit verschijnsel nog veel sterker: de geregistreerde sterfte aan COVID-19 was ongeveer het dubbele van de oversterfte. Dat verschil laat zien dat geregistreerde COVID-sterfte niet gelijkgesteld kan worden aan extra sterfte.
Een vergelijking met de zware griepepidemie van 2017/2018 maakt duidelijk waarom dat onderscheid belangrijk is. Tijdens de 18 weken van deze epidemie overleden ongeveer 9.300 mensen méér dan verwacht. Toch werd in heel 2018 bij slechts circa 1.200 overledenen influenza als onderliggende doodsoorzaak geregistreerd. De overige oversterfte bleef dus grotendeels zichtbaar onder andere doodsoorzaken, zoals longontsteking en reeds aanwezige aandoeningen. Bij COVID-19 was de registratie anders: wanneer COVID-19 in de causale keten naar het overlijden als onderliggende doodsoorzaak werd aangemerkt, werd het overlijden als COVID-19-sterfte geregistreerd.
Dat verschil is van belang bij het beoordelen van vaccinatie. Het voorkómen van een geregistreerd COVID-19-overlijden betekent niet noodzakelijk dat daarmee ook in dezelfde mate totale sterfte werd voorkomen. Bij kwetsbare personen kan vaccinatie het overlijden uitstellen, waarna het overlijden later onder een andere doodsoorzaak wordt geregistreerd.
Onze eerdere analyse wijst erop dat op langere termijn ongeveer 80% van de aanvankelijke oversterfte werd gecompenseerd, net als bij griep en influenza.
Wanneer we 80% mortality displacement ook als orde-grootte voor de Deltagolf gebruiken, krijgt de gevonden vaccinbescherming een andere betekenis. Onze berekeningen wijzen ruwweg op rond de 2.000 tijdens de Deltagolf uitgestelde of voorkómen overlijdens. Omdat het grootste deel daarvan volgens deze aanname een beperkte levensverlenging betreft, resteert een gezondheidswinst in de orde van enkele duizenden QALY’s.
Daarmee kan ook een eerste orde-grootteberekening van de kosteneffectiviteit worden gemaakt. Een exacte kostprijs van de Nederlandse vaccinatiecampagne is moeilijk uit de beschikbare cijfers af te leiden, omdat kosten voor testen en vaccineren veelal gezamenlijk worden gerapporteerd. Als orde van grootte kan circa €1 miljard worden aangehouden. Ter vergelijking: voor de Belgische basiscampagne werd de totale kostprijs geraamd op €91,67 per volledig gevaccineerde in een vaccinatiecentrum; de uiteindelijk gerapporteerde gemiddelde kosten bedroegen ongeveer €74,45 per persoon. Toegepast op circa 12 miljoen gevaccineerden in Nederland geeft dat een orde van grootte van €0,9–1,1 miljard.
Wanneer de totale kosten van vaccinatie in de orde van €1 miljard lagen, komt de prijs bij enkele duizenden gewonnen QALY’s uit op honderdduizenden euro’s per QALY. Ter vergelijking: bij een referentiewaarde van €20.000 per QALY zou een investering van €1 miljard ongeveer 50.000 QALY’s moeten opleveren.
Dit is nadrukkelijk geen volledige kosteneffectiviteitsanalyse. De uitkomst is sterk afhankelijk van de aangenomen mortality displacement en de resterende levensverwachting van de betrokken groep. De orde van grootte laat echter zien waarom een relatieve bescherming van 35–45% tijdens de Deltagolf niet zonder meer kan worden vertaald naar een vergelijkbare gezondheidswinst op langere termijn.
Oversterfte overige oorzaken
De overheid legt bij het onderbouwen van de effectiviteit van de vaccins altijd de nadruk op het overlijden met COVID-19 als doodsoorzaak. Ook de veel geciteerde studie van NIVEL (zie Vaccinatie spaarde 192.000 levens volgens Nivel) kijkt alleen naar COVID-19 sterfte, waarbij nog aangetekend moet worden dat de onderzochte populatie niet representatief was en daardoor volkomen verkeerde conclusies bracht. Ook bepekte het onderzoek zich tot de 12 maanden, dus de tweede helft van 2022 bleef niet-onderzocht.
We hebben inmiddels dus de sterftecijfers opgesplitst naar gevaccineerd en ongevaccineerd ongeacht de doodsoorzaak. De farmacie kijkt echter naar uitsluitend de sterfte aan COVID-19 zelf, maar we kunnen natuurlijk ook kijken wat vaccinatie doet met de sterfte aan alle overige doodsoorzaken. Dat is de totale sterfte na aftrek van de sterfte aan COVID-19. Dat geeft deze interessante grafiek:
Bij de ongevaccineerden (groen) zien we tijdens de COVID-19-golf een sterke ondersterfte aan overige doodsoorzaken. Een deel van degenen die aan COVID-19 overlijden, zou zonder COVID-19 waarschijnlijk op korte termijn aan een andere aandoening zijn overleden. COVID-19 geeft bij deze kwetsbare groep als het ware het laatste zetje.
Bij gevaccineerden (rood) zien we dit verschijnsel veel minder. Voor zover vaccinatie het overlijden aan COVID-19 voorkomt, kan het uiteindelijke overlijden daardoor worden verplaatst naar een andere doodsoorzaak. Bij kwetsbare mensen kan bijvoorbeeld een volgende luchtweginfectie, influenza, longontsteking of een reeds aanwezige aandoening alsnog fataal worden. Bescherming tegen COVID-19-sterfte komt daarom niet één-op-één terug als een even grote vermindering van de totale sterfte.
Vaccinatie lijkt een Absolute Risico Reductie (ARR) te geven in de orde grootte van 0,01% tegen een kostprijs van rond de €1.000.000.000 in het eerste jaar
Eind 2022: dezelfde berekening
Vervolgens passen we dezelfde methode toe op de laatste maanden van 2022. Daar zijn twee perioden met duidelijke oversterfte zichtbaar.
COVID-19 maakt hier volgens de CBS-doodsoorzaakregistratie slechts ongeveer 20% van de sterftegolf uit. Andere oorzaken spelen dus een veel grotere rol dan tijdens de Deltagolf. Nog een reden om te kijken naar de oversterfte ongeacht de doodsoorzaak: welke invloed heeft vaccinatie gehad op de sterftekans.
We volgen weer dezelfde rekenmethode als bij de deltagolf.
Nu zien we dat tijdens de twee golven het aandeel ongevaccineerde sterfte juist daalt. Een aanwijzing dat gevaccineerden nu juist een grotere sterftekans hebben. Op dezelfde manier stellen we nu de grafiek samen, waarin we de gevaccineerde en ongevaccineerde sterfte apart in beeld brengen.
Met name bij de tweede golf, die dus slechts voor 20% uit corona bestond volgens de cijfers van het CBS, zien we dat de ongevaccineerden een 7% lagere sterfte hadden.
Het patroon is daarmee omgekeerd aan dat tijdens de Deltagolf: de totale sterfte ontwikkelt zich eind 2022 relatief ongunstiger bij gevaccineerden. Bij dit soort cijfers is het niet meer zinvol om nog een VE tegen ACM te berekenen. Op basis van alleen de sterftecijfers voor COVID-19, komen we nog wel op enige bescherming. Maar de sterfte lijkt daarmee te verschuiven naar overige oorzaken zoals we in deze grafiek kunnen zien:
We zien hier dat de gereconstrueerde oversterfte bij gevaccineerden rond de 10 procentpunten hoger lag dan bij ongevaccineerden.
De berekening voor het aantal QALY’s is nu heel discutabel geworden. De farmacie zal wijzen naar bespaarde overlijdens aan COVID-19. Er waren na de vaccinatie 1700 overlijdens aan COVID-19. Bij circa 2.000 door vaccinatie voorkómen of uitgestelde overlijdens en 80% mortality displacement resteert ongeveer 20% als niet op korte termijn ingehaalde sterfte. Dat is ruwweg een vijfde van de sterfte tijdens de deltagolf en daarmee ook de gewonnen QALY’s
Het beeld eind 2022 is ook volkomen anders. Bij de deltagolf was er geen sprake van influenza. Vrijwel elk extra overlijden tijdens deze golf kwam op rekening van COVID-19. Tijdens de epidemie in 2022 was er wel Influenza en lijkt COVID-19 niet meer dan een onderdeel van dat spectrum. De vraag is dan ook legitiem of de vaccinaties niet slechts een verschuiving van doodsoorzaak hebben gegeven. De toename van overige doodsoorzaken bij gevaccineerden is daarmee verenigbaar.
Een belangrijke beperking: het Healthy Vaccinee Effect
Bij de analyses moet rekening worden gehouden met het Healthy Vaccinee Effect (HVE), ook wel healthy vaccinee bias genoemd.
Gevaccineerden en ongevaccineerden zijn geen twee willekeurig samengestelde groepen. Mensen die zich laten vaccineren kunnen gemiddeld gezonder zijn of ander gezondheidsgedrag vertonen. Ook kan rond het vaccinatiemoment selectie optreden: iemand die op dat moment ernstig ziek is, zal een vaccinatie bijvoorbeeld eerder uitstellen. Dit HVE zorgt voor een verschuiving van het sterftebeeld richting ongevaccineerden en dus een gunstigere voorstelling van de effectiviteit van de vaccins.
Dat verschijnsel is in de Nederlandse gegevens daadwerkelijk zichtbaar. Het RIVM vond zowel in 2021 als 2022 dat mensen kort na vaccinatie een lagere kans hadden om aan andere oorzaken dan COVID-19 te overlijden. Het RIVM noemt daarbij expliciet als mogelijke verklaring dat mensen die zich laten vaccineren gemiddeld gezonder zijn. In het rapport over 2022 wordt dit aangeduid als mogelijke healthy vaccinee bias. (RIVM)
Voor onze berekening is van belang dat een constant verschil tussen beide groepen voor een belangrijk deel in de baseline terechtkomt. We vergelijken immers niet simpelweg de absolute sterfte van gevaccineerden met die van ongevaccineerden. We kijken nu naar de verandering van hun verhouding ten opzichte van de situatie vóór de sterftegolf. Dat maakt de methode minder gevoelig voor een reeds bestaand verschil tussen de groepen.
De vaccinatiestatus wordt vastgelegd na het zetten van de eerste prik van de basisserie. Dat is het moment dat HVE een rol speelt. De deltagolf trad ruim een half jaar na de basisserie op, waardoor het HVE aan het uitdempen is.
Ook de definitie van ‘gevaccineerd’ speelt een rol
Er is nog een methodologisch punt. Wie wordt op welk moment als gevaccineerd beschouwd?
CBS publiceerde op 23 februari 2024 een aanvullende analyse waarin specifiek werd onderzocht wat er gebeurt wanneer de definitie van vaccinatiestatus wordt veranderd. In de oorspronkelijke definitie werd iemand pas na een wachttijd van twee of vier weken als volledig gevaccineerd beschouwd. CBS rekende de cijfers ook door zonder die wachttijd. (Centraal Bureau voor de Statistiek)
CBS concludeerde dat de alternatieve definitie voor zowel Wlz- als niet-Wlz-zorggebruikers een vergelijkbaar algemeen sterftebeeld opleverde. (Centraal Bureau voor de Statistiek)
Hoe verhoudt dit zich tot het RIVM-onderzoek?
Het RIVM onderzocht 2022 met een veel uitgebreidere methode en individuele gegevens over vaccinatie, demografie, overlijden, doodsoorzaken en zorggebruik. Het concludeerde dat mensen die een booster hadden gekregen een kleinere kans hadden om aan COVID-19 te overlijden. Ook vond het geen verhoogde sterfte aan andere oorzaken in de acht weken na een herhaalprik; de gemeten kans daarop was juist lager. (RIVM)
Dat resultaat en onze analyse beantwoorden een verschillende vraag. Het RIVM vergelijkt individuele sterfterisico’s en kan rekening houden met kenmerken van personen en het moment van vaccinatie. Onze berekening kijkt naar een verandering in de verhouding tussen twee groepen tijdens perioden van oversterfte. Daardoor wordt een patroon zichtbaar, maar kan niet worden vastgesteld waardoor dat patroon wordt veroorzaakt. De analyse toont dus wél dát de verhouding verandert tijdens een epidemie, maar kan niet met absolute zekerheid vaststellen of vaccinatie die verandering veroorzaakt.
Conclusies
Deze analyse begon met een eenvoudige vraag: is de bescherming door vaccinatie ook terug te vinden in de totale sterfte, ongeacht de geregistreerde doodsoorzaak? De CBS-cijfers laten zien dat het beeld voor 2022 tegengesteld is aan 2021.
Tijdens de Deltagolf van 2021 zien we het patroon dat hoort bij een beschermend effect van vaccinatie, maar veel minder dan mag worden verwacht. Binnen het gebruikte model zien we een extra bescherming van ongeveer 35–45%.
Dat percentage mag echter niet worden gelijkgesteld aan een even grote gezondheidswinst op langere termijn. Na eerdere COVID-19-golven volgde duidelijke ondersterfte. Bovendien is geregistreerde COVID-19-sterfte niet hetzelfde als extra sterfte. De vergelijking met de griepepidemie van 2017/2018 illustreert hoe sterk de geregistreerde doodsoorzaak en de totale sterfte tijdens een epidemie van elkaar kunnen verschillen. Mortality displacement is daarom van groot belang wanneer de gezondheidswinst uiteindelijk in gewonnen levensjaren of QALY’s wordt uitgedrukt.
Eind 2022 verandert het beeld. Tijdens de twee perioden van oversterfte is sterfte onder gevaccineerden juist hoger: ongeveer 18% bij ongevaccineerden tegenover 28% bij gevaccineerden. Ook over het gehele kalenderjaar zien we deze omslag terug: in 2021 was de berekende oversterfte lager bij gevaccineerden (7,8% tegen 10,4%), terwijl deze in 2022 juist lager was bij ongevaccineerden (9,4% tegen 5,8%).
Dat resultaat wijkt sterk af van het in 2024 gepubliceerde Nivel-onderzoek (Ondersterfte bij COVID-19-gevaccineerden en oversterfte bij ongevaccineerden), waarin ondersterfte bij gevaccineerden en oversterfte bij ongevaccineerden/ongeregistreerden werd gevonden. De onderzoeken zijn echter niet rechtstreeks vergelijkbaar. Nivel onderzocht ongeveer 8% van de thuiswonende Nederlandse bevolking, waarbij alleen de sterftecijfers in de eerste 12 maanden na vaccinatie werden gebruikt. De sterfte eind 2022 bleef zo buiten beeld.
Het Nivel-rapport leidde na publicatie tot veel discussie en werd vervolgens aangepast. Daarbij werd onder meer een rekenfout bij de ongevaccineerden gecorrigeerd en werd duidelijk dat de als ongevaccineerd aangeduide groep ook een aanzienlijk aandeel mensen bevatte van wie de vaccinatie niet was geregistreerd. Nivel veranderde daarom de aanduiding in ‘ongevaccineerd/ongeregistreerd’ en formuleerde zijn conclusies voorzichtiger. Het rapport werd ingetrokken, maar de hoofdconclusie bleef gehandhaafd. Lees bijvoorbeeld ons artikel: Nivel gedebunked.
Samenvattend:
- Tijdens de deltagolf was de oversterfte bij de gevaccineerde populatie 19% lager. Oftewel een Absolute Risico Reductie (ARR) van ongeveer 0,01%. Onbewezen is of het vaccin hiervoor verantwoordelijk was of het HVE.
- Tijdens de epidemie eind 2022 was de oversterfte bij de gevaccineerde populatie 10% hoger. Onbewezen is of het vaccin hiervoor verantwoordelijk was.
Daarmee komen we bij de belangrijkste conclusie van dit onderzoek. Effectiviteit tegen geregistreerde COVID-19-sterfte en effectiviteit tegen totale sterfte zijn verschillende grootheden. Wie de uiteindelijke gezondheidswinst van vaccinatie wil beoordelen, kan daarom niet volstaan met het tellen van voorkómen COVID-19-overlijdens. Ook totale sterfte, mortality displacement, verschuiving tussen doodsoorzaken en gewonnen levensjaren moeten daarbij worden betrokken.

